Zojuist heb ik de oefeningen gedaan van les 3. De eerste oefening ging over het opschrijven van de dingen die ik van mijzelf moet. Ik vond het best lastig, want wanneer MOET ik iets van mijzelf en wanneer WIL ik dit? Als ik echt eerlijk ben dan moet ik in principe niets van mijzelf. Bijvoorbeeld: belastingaangifte doen. Dit is een taak die mij een soort van is opgelegd. Maar ik kies er bewust voor om dit te doen, omdat ik het belangrijk vind dat ik mijn (financiële) zaakjes op orde heb. 
Het moeten zit er dan voor mij meer in het feit dat ik er voor kies om een taak te doen die ik op zichzelf niet leuk vind. 
Uiteindelijk heb ik ervoor gekozen om de taken en wensen op één hoop te gooien. Lekker makkelijk :) 
Vervolgens heb ik het hele lijstje verdeeld over de 4G's. Het valt mij op dat de G van Geld het minste is vertegenwoordigd. Ergens ben ik wel blij dat deze G het minst is vertegenwoordigd. Voorheen was ik zo gebrand op het maken van carrière, wilde ik een super goede betaalde baan hebben, status. Maar juist door mijn werk en de gesprekken die ik met mijn cliënten heb, ben ik erachter gekomen dat het maken van carrière helemaal niet belangrijk is voor mij. Ja, ik wil met mijn plezier naar mijn werk gaan en ik wil graag goed zijn in wat ik doe. Maar ik wil absoluut niet dat dit ten koste gaat van mijn privé leven. Ik ben blij deze overtuiging ook terug te zien is in de antwoorden binnen deze oefening.